Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR8547

Datum uitspraak2004-12-15
Datum gepubliceerd2004-12-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1234 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Is terecht geweigerd betrokkene bij het einde van de wachttijd van 52 weken een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen?


Uitspraak

03/1234 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 30 januari 2003, onder reg. nr.: WAO 02/67-ZET, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 november 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Van de Wetering, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. H. de Rooij, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellante was via een uitzendbureau werkzaam als productiemedewerkster bij een groenteveiling toen zij zich op 28 februari 2000 ziek meldde met hoofdpijnklachten. Op 30 januari 2001 is appellante onderzocht door verzekeringsarts G.T. Tan, die mede op basis van informatie van de behandelende sector de diagnoses hoofdpijn, hypertensie en migraine stelde en beperkingen aangaf voor langdurig lopen, staan, trappenlopen, klimmen, tillen, dragen, knielen, kruipen, hurken, duwen, trekken, blootstelling aan zware, laagfrequente trillingen en langdurige blootstelling aan stress en conflicthantering in publiek- of klantgerichte functies in een minder lawaaiige omgeving. Op basis van het door Tan voor appellante opgestelde belastbaarheidspatroon heeft arbeidsdeskundige P. Jonkman functies geselecteerd uit het Functie Informatie Systeem (FIS), waarna op basis van de mediane functie naaister-stikster meubelbekleding de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is vastgesteld op 0%. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 31 juli 2001 geweigerd appellante bij het einde van de wachttijd van 52 weken een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij besluit van 14 december 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat zij meer beperkt is dan gedaagde heeft aangenomen en dat zij daarom de geselecteerde functies niet kan vervullen. Bovendien zijn bij appellante inmiddels diabetes mellitus en gehoorproblemen vastgesteld. Appellante meent dat de daarmee samenhangende klachten haar ook bij het einde van de wachttijd al beperkingen oplegden. Bovendien heeft de rechtbank nagelaten te vermelden dat inmiddels de functies schadebeoordelaar en datatypiste als voor appellante ongeschikt zijn afgevallen. De Raad overweegt als volgt. Bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink heeft op basis van de bevindingen van verzekeringsarts Tan, de informatie van de behandelaars en zijn eigen bevindingen tijdens de hoorzitting in bezwaar geen reden gezien te twijfelen aan diens conclusies. De Raad stelt vast dat appellante geen nadere medische informatie heeft overgelegd. Appellantes enkele, niet met medische gegevens onderbouwde standpunt dat zij meer beperkt is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen, geeft de Raad geen aanleiding te oordelen dat de verzekeringsartsen van gedaagde voor appellante te geringe beperkingen hebben aangenomen. Voornoemde arbeidsdeskundige heeft van de voor appellante geselecteerde functies een achttal aan de schatting ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de Raad kunnen de functies naaister-stikster meubelbekleding, printplatenmonteur en lederwarenmaker zonder meer voor appellante geschikt worden geacht. De op de verwoordingen functiebelastingen van de overige vijf functies voorkomende markeringen geven aan dat op die punten de belastbaarheid van appellante wordt overschreden. De Raad is van oordeel dat de aanvaardbaarheid van die overschrijdingen voldoende is toegelicht, zodat alle acht functies voor appellante geschikt kunnen worden geacht. Uitgaande van de mediane functie naaister-stikster meubelbekleding kan appellante een zodanig inkomen verwerven, dat geen verlies aan verdiencapaciteit resteert. Gedaagde heeft dan ook terecht geweigerd appellante een WAO-uitkering toe te kennen. Gelet daarop slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2004. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J.E.M.J. Hetharie. Gw